De hardnekkige mythe van de absolute demonstratievrijheid

Door Carel Brendel, 19 november 2017

De vreugde was gisteren groot in de Rest van Nederland. De bussen met deelnemers aan de actie Knock Out Zwarte Piet (KOZP) werden op de A7 bij Joure klemgereden door tegenstanders van hun voorgenomen demonstratie tegen de Sinterklaas-intocht in Dokkum. De blokkade en vertraging betekenden de doodsteek voor het anti-Piet-protest. De loco-burgemeester van Dongeradeel kondigde een noodbevel af, waarop de social justice warriors mokkend omkeerden richting Amsterdam. Met elke boze tweet vanuit de protestbussen groeide het leedvermaak onder “de mensen in het land”.

De alom heersende irritatie over de anti-Piet-drammers en de lol om hun mislukte missie maken de zaak niet minder ernstig. Een door de overheid goedgekeurde demonstratie werd gisteren onmogelijk gemaakt door eigenrichting van burgers. De autoriteiten, die toestemming hadden gegeven voor de KOZP-actie, bleken niet in staat om het toegestane recht op demonstratie te waarborgen.

Wie toestemming geeft voor een straatprotest, moet ook bereid zijn om dit doorgang te laten vinden, ondanks de te verwachten weerstanden. Nog beter was het geweest als de burgemeester van Dongeradeel de KOZP-demo vooraf had verboden in het belang van de kinderen van Dokkum. Wat mij betreft is de demonstratievrijheid groot, maar eindigt die wanneer kleine kinderen in de actie worden betrokken. Dus geen straatprotest tijdens de intocht van Sinterklaas, maar ook geen demonstratie tegen de bouw van islamitische scholen in het bijzijn van schoolkinderen, of (denkbeeldig voorbeeld) manifestaties tegen de multiculturele samenleving op de kinderdag van het Kwakoe Festival in Amsterdam-Zuidoost. Wie zijn punt wil maken, doet dit maar op een plek waar kinderen geen doelwit kunnen worden van het geruzie.

Op Twitter kreeg ik gisteren veel bijval voor mijn suggestie, maar ook bezwaren. Die richten zich op twee punten. Het recht op demonstratie moet altijd voorop staan. Bovendien moeten demonstranten hun punt kunnen maken op de dag en de plek van de zaak waartegen ze zich verzetten. Op beide argumenten valt het nodige af te dingen. Al is het maar via artikel 9 van de Grondwet dat gaat over de vrijheid van vergadering en betoging. Lid 2 van dit Grondwetsartikel zegt: “De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.”

Op 15 april vond in De Doelen in Rotterdam de Palestinians in Europe Conference plaats, de jaarlijkse bijeenkomst van Hamas-aanhangers in Europa. Burgemeester Ahmed Aboutaleb besloot terecht om dit congres niet bij voorbaat te verbieden, al toonde hij zich stekeblind voor de politieke achtergrond van de organisatoren. De organisatie Christenen voor Israël wilde een stille tocht tegen de conferentie houden, maar Aboutaleb verbood dit omdat hij de veiligheid van de betogers niet kon garanderen. Volgens de burgemeester ontbrak de politiecapaciteit om de demonstratie te begeleiden.

Aboutaleb zei gisteren, als reactie op een “spontaan” anti-Piet-protest op de Erasmusbrug, tegen het Algemeen Dagblad dat zoiets altijd mogelijk moet zijn. “Dit is hun grondwettelijk recht. Als mensen willen demonstreren, dan maken we dit mogelijk. Dat heb ik ook altijd gezegd.’’ Misschien kan Aboutaleb de volgende keer uitleggen wat het verschil is tussen een keurig aangemelde actie van Christenen voor Israël en een niet-aangemelde actie van de anti-Piet-beweging.

Dat het recht op demonstratie nooit absoluut kan zijn, tonen de gebeurtenissen in Den Haag in de zomer van 2014. Burgemeester Jozias van Aartsen zag aanvankelijk geen wettige redenen om betogingen van de Nederlandse jihadfanclub in de Schilderswijk te verbieden. De Haagse politie greep twee keer achtereen niet in tegen antisemitische spreekkoren en intimidatie van omstanders.

Als reactie organiseerde de zeer rechtse actiegroep Identitair Verzet (onder het alias Pro Patria) een “Mars voor de Vrijheid” door de Haagse Schilderswijk. De optocht strandde door het verzet van de straatjeugd. Net als gisteren bij Dokkum maakte eigenrichting van burgers een einde aan een demonstratie waarvoor de overheid vergunning had verleend. Om aan alle escalatie een einde te maken kondigde Van Aartsen vervolgens een tijdelijk verbod af om in woonwijken te demonstreren. Na alle ellende van de voorgaande weken mopperde bijna niemand meer dat dit alles een aantasting betekende van het recht op demonstratie.

Richtlijnen over de plek van de demonstratie zijn gebruikelijk en goed te verdedigen. Vanwege de veiligheid van bezoekende regeringsleiders mochten de tegenstanders van de nucleaire top – ook in 2014 in Den Haag – niet bijeenkomen in een zone rond het congrescentrum. Op het Binnenhof worden alleen kleinschalige demonstraties toegestaan. Grote betogingen vinden plaats op het Malieveld of trekken met een boog rond het regeringscentrum.

In november 2016 verwees de Amsterdamse burgemeester Eberhard van der Laan een Kristallnachtherdenking door de Facebook-groep Stand Up For Israël naar het Jonas Daniel Meyerplein. Van der Laan was bang dat de waardigheid van een Joods verzetsmonument op het Waterlooplein zou worden aangetast als gevolg van mogelijke wanordelijkheden. Stand Up For Israel zag toen af van de herdenking, en bevestigde daarmee de verdenking dat men het monument alleen maar had geclaimd om de omstreden Kristallnachtherdenking door linkse Israël-haters dwars te zitten.

Burgemeesters wijzen ook plekken – liefst in een park of op een bedrijventerrein ver van de binnenstad – aan voor demonstraties van de Nederlandse Volksunie (NVU), van de anti-islam-groep Pegida en voor tegendemo’s van hun “antifascistische” tegenstanders (AFA), al was het om het winkelend publiek te vrijwaren van het geknok tussen de diverse groepen tuig die op deze bijeenkomsten afkomen.

Sommigen vinden overigens dat de absolute vrijheid van demonstratie niet is weggelegd voor Pegida. Onder de leus “Laat Ze Niet Lopen” doen zij alles om Pegida-marsen te stoppen. Maar o wee, als Friese “Pietofielen” de anti-Piet-betogers niet laten lopen. Dan is de vrijheid van demonstratie, die zij anderen ontzeggen, in groot gevaar.

De “absolute demonstratievrijheid” staat ook onder druk in de Amsterdamse binnenstad waar Palestina- en Israël-supporters elkaar figuurlijk en soms letterlijk de tent uitvechten. Steen des aanstoots is “BDS-gekkie” Simon Vrouwe, die in zijn kraampje op de Dam Israëls optreden in Gaza aanvalt met fotoshops uit de Syrische burgeroorlog. Zijn optreden roept tegenkrachten op met als gevolg dat Van der Laan kort voor zijn dood regels heeft opgesteld om het protest in goede banen te leiden. Inmiddels maakt een heel legioen politiemensen en ambtenaren overuren voor een handjevol demonstranten en tegendemonstranten van wie je moeilijk kunt zeggen dat ze nooit de kans krijgen om hun stem te laten horen.

Website Nu.nl meldde in juli dat de twee kampen niet meer tegelijkertijd mogen demonstreren. Wel mogen de betogers om en om hun manifestaties houden op de Dam, mits er geen andere demonstratie of evenement op het plein is. De demonstranten kunnen wel naar andere plekken in de stad uitwijken, maar moeten altijd een afstand van vijftig meter van elkaar houden.

Van der Laan noemde het demonstratierecht “bijkans heilig”, maar om verdere escalatie te voorkomen was volgens hem de grens bereikt. “Als de vrijheid van meningsuiting echter botst met het recht om vrij te zijn van vrees voor discriminatie, haat zaaien of geweld, dan geeft die laatste vrijheid in Amsterdam de doorslag.”

Dat waren mooie woorden van de betreurde burgemeester. Probleem is wel dat het “bijkans heilige” demonstratierecht regelmatig wordt opgeëist door lieden die niets op hebben met de liberale beginselen waarop dit recht is gebaseerd. De democratie kan tegen een stootje en geeft een zekere ruimte aan groepen die haar ondergang willen organiseren. Maar dat betekent niet dat die ruimte oneindig is. Tolerantie is mooi, maar mag niet leiden tot tolerantie van intolerantie.